Februari 2025
Het begin van de debuutroman Vogels op de wind (Homeseeking), die ik samen met Ineke Lenting vertaalde voor de Wereldbibliotheek, riep herinneringen bij mij op aan Porgy and Bess. Gershwin liet zich voor zijn opera niet alleen inspireren door de zwarte gospel- en jazzmuziek, maar ook door een bezoek aan Charleston, South Carolina, de geluiden die hij gehoord had in het zwarte getto bij het krieken van de dag, en de straatventers die luidkeels hun waar aan de man brachten: Strawberry Man, Crab Woman.

Auteur Karissa Chen maakt van die straatgeluiden de ouverture van haar boek. Haar getto is een zogenaamde ‘longtang’ in het naoorlogse Shanghai, een armeluisbuurt die bestaat uit een doolhof van steegjes, gelegen rond een doorlopende straat. En dat klinkt al net zo muzikaal, hopelijk ook in onze vertaling.

Gershwin speelt verder geen rol in het boek, maar Europese klassieke muziek opvallend genoeg wel. Elf jaar eerder, in augustus 1938, vangt de zevenjarige Suji op haar zwerftochten door de longtang uiterst exotische klanken op, niet van een erhu (een traditioneel Chinees strijkinstrument) maar van ‘een kalebasvormig ding met een smalle hals en hout dat kastanjekleurig glansde’. Het is een viool naar westers model en het wordt bespeeld door Haiwen, een zesjarig Chinees knulletje dat de grootste moeite heeft om dat instrument zelfs maar te kunnen vasthouden. Ze raken met elkaar bevriend en later, in hun tienertijd, worden ze een stelletje. Haiwen zit op vioolles en zijn leraar, een Joodse vluchteling uit Europa, laat hem in de loop der jaren kennismaken met componisten als Bach, Mendelsohn, Mozart, Sibelius en Bruch. Muziek wordt een levenslange fascinatie en Haiwen wil naar het conservatorium.
Je kunt Vogels op de wind een klassiek migrantenverhaal noemen: Suji en Haiwen worden uiteengedreven, belanden beiden na veel omzwervingen in de VS en zien elkaar pas tientallen jaren later terug. Maar het Shanghai van hun jeugd is geen monocultuur; het is meteen al een microkosmos waar oost en west elkaar ontmoeten, waar westerlingen de nodige invloed hebben. Later komt daar de Japanse invasie overheen, en de oorlog tussen de nationalisten en de communisten. Shanghai blijft geen storm bespaard.
De passages waarin Haiwen zich aan zijn vioolspel overgeeft, bezorgden ons vertalers nog aardig wat hoofdbrekens. Uiteindelijk vroegen we advies aan Frits van der Waa, die niet alleen als vertaler werkt, maar ook muziekjournalist is en zelf cello speelt. Mede op grond van zijn suggesties kwamen we op vertalingen als deze.
